Arbobalans 2009
Betreft: Document met stand van zaken en de ontwikkelingen op het gebied van arbeidsomstandigheden
In opdracht van: Ministerie van SZW
Uitgevoerd door: TNO Kwaliteit van leven
Datum rapport: maart 2010
De Arbobalans omvat een overzicht van de stand van zaken en de ontwikkeling van de arbeidsomstandigheden in Nederland. De Arbobalans is een belangrijke, jaarlijks terugkerende informatiebron op het gebied van arbeid en gezondheid voor arbodeskundigen, leden van ondernemingsraden en personeelsvertegenwoordigingen, personeelsfunctionarissen, werkgevers en werknemers.
De Arbobalans 2009 is samengesteld op basis van bronnen van onderzoek en monitoring, (zoals de NEA en WEA 2008). Aan de orde komen de omvang en de gevolgen van blootstelling van werknemers aan arbeidsrisico’s en de maatregelen van bedrijven op dit gebied. In de Arbobalans 2009 wordt daarnaast ingezoomd op de situatie van ouderen, hun kwaliteit van de arbeid, de effecten hiervan op hun gezondheid en hun uitval uit het werk, alsook op het langer kunnen en willen doorwerken.
Samenvatting
Kwaliteit van de arbeid
De kwaliteit van de arbeid in 2008 is ten opzichte van 2007 over het algemeen over de hele linie stabiel gebleven. Een uitzondering vormt beeldschermwerk. Het percentage werknemers dat meer dan 6 uur per dag beeldschermwerk verricht is toegenomen van 22% in 2007 tot 24% in 2008.
Verschillende vormen van belasting in het werk komen vaak tegelijkertijd voor. Psychische risico’s (zoals een hoge werkdruk, een gebrek aan autonomie en weinig variatie in het werk) blijken met elkaar en ook met verschillende vormen van sociale belasting (zoals een hoge emotionele belasting, ongewenste omgangsvormen en een gebrek aan sociale steun) samen te gaan. Beroepen met een hoge psychosociale belasting zijn docenten in het basis- en voortgezet onderwijs en verpleegkundigen en ziekenverzorgenden.
Intimidatie door leidinggevenden of collega’s (internen) komt het meest voor onder laders, lossers, inpakkers, grondwerkers en kraanmachinisten, gevolgd door politie, brandweer en bewakers. Pesten op de werkvloer wordt het meest gerapporteerd door buschauffeurs, treinbestuurders en zeelieden en docenten in het voortgezet onderwijs.
Effecten
Het blijft goed te gaan met de gezondheid van de Nederlandse werknemers. De meerderheid van de werknemers heeft een goede gezondheid en het aantal werknemers met een chronische aandoening is stabiel. De prevalentie van bewegingsapparaatklachten is dalende. Ook het ziekteverzuim is stabiel met een gemiddeld verzuimpercentage van iets meer dan 4%. De gemiddelde verzuimduur is in de afgelopen jaren met ruim een halve dag gedaald van bijna 7 dagen naar ruim 6 dagen per keer. Er zijn grote verschillen in verzuimpatroon tussen werknemers en tussen sectoren. Dit duidt er op dat er wellicht verschillende redenen zijn om te verzuimen en dat een gedifferentieerde verzuimaanpak noodzakelijk is om het verzuim verder omlaag te krijgen. De meest genoemde reden om te verzuimen was en blijft griep of verkoudheid, maar aangezien dit meestal niet lang duurt, is de invloed hiervan op het totale aantal verzuimdagen niet zo groot. Psychische klachten zijn in dat opzicht veel belangrijker. Hoewel werknemers niet vaak verzuimen vanwege psychische klachten verzuimen zij gemiddeld wel lang met deze klachten. Bijna 20% van alle verzuimdagen wordt dan ook veroorzaakt door psychische klachten.
Het totale aantal arbeidsongeschikten blijft langzaam maar gestaag dalen. Psychische klachten blijven ook de belangrijkste diagnose bij een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Wel krijgt het merendeel van de arbeidsongeschikten met psychische klachten een tijdelijke, WGA uitkering.
Een lagere kwaliteit van de arbeid lijkt invloed te hebben op de motivatie en de productiviteit van werknemers om te blijven werken. Werknemers die meer worden blootgesteld aan slechte fysieke of ergonomische arbeidsomstandigheden zijn minder tevreden met hun werk en vinden dat zij minder presteren dan hun collega’s. Werknemers met een hoge psychische of emotionele belasting zijn juist tevreden over hun werk, en vinden dat zij beter presteren dan hun collega’s, maar de verschillen zijn klein. Wel zijn beide groepen werknemers meer geneigd om op korte of langere termijn van baan te veranderen.
Maatregelen
Ongeveer de helft van de werkgevers is bekend met wijzigingen in de nieuwe Arbowet. Meer dan de helft vindt het aantal wettelijke verplichtingen in de Arbowet groot. Vooral in grote organisaties is men goed geïnformeerd en leiden de wijzigingen in de Arbowet tot wijzigingen in het bedrijfsbeleid.
Gemiddeld vindt 70% van de aangesloten organisaties de rol van de brancheorganisatie bij het ondersteunen van het arbobeleid van het bedrijf goed of voldoende. In totaal laat 79% van de werkgevers zich in 2008 bijstaan door één of meer arbodiensten en/of of andere arbodienstverleners. In 2004 was dat nog 90%. Sindsdien is er jaarlijks sprake van een daling. Vooral verzuimbegeleiding is vaak opgenomen in een contract met de arbodiensten en andere arbodienstverleners.
In totaal laat 79% van de werkgevers zich in 2008 bijstaan door één of meer arbodiensten en/of of andere arbodienstverleners. In 2004 was dat nog 90%. Sindsdien is er jaarlijks sprake van een daling. Vooral verzuimbegeleiding is vaak opgenomen in een contract met de arbodiensten en andere arbodienstverleners. Bijna de helft van de werkgevers heeft een (getoetste of ongetoetste) RI&E. Het niet naleven van de RI&E verplichting komt vooral voor bij kleine bedrijven. Het aantal bedrijven zonder RI&E lijkt iets toe te nemen. Ongeveer 65% van de Nederlandse bedrijven heeft één of meer bedrijfshulpverleners (BHV-ers) in dienst; 49% een preventiemedewerker.
De helft van de Nederlandse werkgevers vindt dat een medewerker met een ongezonde leefstijl en werkstijl daarop door de werkgever kan worden aangesproken. In de afgelopen twee jaar heeft 17% van de werkgevers maatregelen ingevoerd op het gebied van het bevorderen van een gezonde leefstijl.
Oudere werknemers en langer kunnen en willen doorwerken
In 2008 is iets minder dan 40% van de werknemers in Nederland 45 jaar of ouder. In het onderwijs en in het openbaar bestuur werken de meeste oudere werknemers. Van alle beroepen bevinden zich onder docenten de meeste ouderen.
De kwaliteit van de arbeid van de oudere werknemer blijkt in grote lijnen vergelijkbaar met de kwaliteit van de arbeid van jongere werknemers. Oudere en jongere werknemers verschillen maar weinig in het belang dat zij hechten aan specifieke arbeidsvoorwaarden. Een uitzondering hierop vormt de mogelijkheid om te leren. Dit wordt door ouderen minder belangrijk gevonden dan door jongeren.
Doorwerken
De gemiddelde pensioenleeftijd van werknemers is momenteel 61,7 jaar. Er is dus redelijk wat ruimte voor langer doorwerken, ook tot de momenteel nog geldende 65 jaar. Het aandeel oudere werknemers dat aangeeft door te willen werken tot 65 jaar is de afgelopen jaren gestegen van 21% in 2005 tot 36% in 2008. Een kwart van de oudere werknemers (een door de tijd heen stabiele groep) zegt in staat te zijn in de huidige functie door te werken tot 65 maar wil dat niet. Een toenemende groep oudere werknemers zegt te willen en kunnen doorwerken: in 2005 was deze groep zo’n 15% en in 2008 is deze groep gestegen tot zo’n 25%. Daarentegen stijgt ook de groep die wel wil maar niet kan van zo’n 6% in 2005 tot 11% in 2008. De groep die zegt niet te willen en ook niet te kunnen doorwerken neemt daarentegen af van een ruime meerderheid van 54% in 2005 tot een minderheid van 39% in 2008.
Het kunnen doorwerken wordt vooral voorspeld door de gezondheid van de oudere werknemer en door arbeidsomstandigheden als fysiek zwaar werk, hoge taakeisen en een gebrek aan sociale steun van de leidinggevende. Oudere werknemers die te maken hebben met burnoutklachten of met ongewenst gedrag als pesten, intimidatie of geweld door collega’s of leidinggevenden geven vaker aan niet door te willen werken. Voor het stimuleren van willen en kunnen doorwerken moet dus een verschillende interventie strategie worden gehanteerd.
Uitstroom
Uit gegevens over de uitstroom uit arbeid van oudere werknemers in het jaar 2008 blijkt dat de meerderheid van hen (57%) uitstroomde naar (pre)pensioen, VUT of functioneel leeftijdsontslag en circa 30% uitstroomde naar een uitkering. Determinanten van uitstroom naar een uitkering verschillen van die naar vroegpensioen. Gezondheidsproblemen en een slecht sociaal klimaat op het werk dragen in sterke mate bij aan de uitstroom naar een uitkering. De kans op uitstroom naar vroegpensioen staat niet in verband met arbeidsomstandigheden of gezondheid, maar is vooral hoger onder oudere werknemers met een nietwerkende partner, of wanneer de werknemers langer in de huidige functie hebben gewerkt, een leidinggevende functie hadden of wanneer sprake was van een reorganisatie.
Regelingen
Door de overheid, op sector niveau en door bedrijven zelf worden regelingen getroffen om oudere werknemers langer aan het werk te houden. Eén van de overheidsregelingen in dat verband is de premievrijstelling bij het aannemen van ouderen. Van alle werkgevers is ongeveer de helft bekend met deze regeling. Een andere regeling is de tijdelijke subsidieregeling voor leeftijdsbewust personeelsbeleid. Met deze regeling is ongeveer eenderde van de werkgevers bekend. Ongeveer één op de tien bedrijven heeft van één of beide regelingen gebruik gemaakt.
Op sectorniveau, dat wil zeggen in cao’s, worden in 2009 méér afspraken gemaakt over onderzoek naar leeftijdsbewust personeelsbeleid dan in 2008 en in 2006. In cao’s worden ook vaker afspraken gemaakt over loopbaanombuiging specifiek voor oudere werknemers.
Wat de werkgevers zelf betreft: eén op de vijf vindt het voor de personele bezetting van het bedrijf belangrijk dat werknemers tot het 65ste levensjaar doorwerken. Dit lijkt vooralsnog niet erg veel, maar toch treft iets meer dan de helft van de werkgevers met 10 of meer werknemers voorzieningen om langer doorwerken (tot en met/of na 65) mogelijk te maken. Vooral ontziemaatregelen zijn populair. Dit zijn maatregelen als een kortere werkweek, werktijdaanpassing of vrijstelling van onregelmatige diensten of van overwerk.
U kunt het volledige onderzoeksrapport downloaden via de downloads (rechtsboven)
Het arboservicecentrum voor het voortgezet onderwijs