X
Het arboservicecentrum voor het voortgezet onderwijs

NEA 2010 uitgesplitst voor het voortgezet onderwijs

Betreft: Belangrijkste resultaten van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2010, uitgesplitst voor het voortgezet onderwijs
In opdracht van: Arbo-VO
Uitgevoerd door: TNO
Datum rapport: augustus 2010

De Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) is het grootste periodieke onderzoek naar arbeidsomstandigheden van werknemers in Nederland. Het doel is om de kwaliteit van de arbeid in Nederland te bestuderen. Om meer inzicht te krijgen in de arbeidsomstandigheden van het voortgezet onderwijs, gaf Arbo-VO opdracht om de NEA 2010 voor het voortgezet onderwijs uit te splitsen.

Sinds 2007 is de NEA niet meer hoofdzakelijk gericht op het thema arbeidsomstandigheden, maar staat ‘kwaliteit van de arbeid’ in brede zin centraal. Dat betekent dat substantiële aandacht wordt geschonken aan de organisatie en inhoud van arbeid, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. Tevens komen enkele andere thema’s aan bod zoals functioneren en inzetbaarheid, opleiding en ontwikkeling, gezondheid en de balans tussen werk en privé. De omvang en representativiteit van de NEA maken het mogelijk om diverse branches te profileren op uiteenlopende arbeidsrisico’s, zoals werkdruk, agressie en fysieke belasting. Ook bevat de NEA informatie over maatregelen die werkgevers treffen en over mogelijke effecten van arbeid, zoals werkstress, verzuim en ongevallen. TNO heeft – evenals vorig jaar - op verzoek van Arbo-VO de resultaten van de NEA 2010 uitgesplitst voor het vo.

Conclusies

1. In de resultaten is opvallend vaak het volgende patroon te ontdekken: het onderwijs ‘scoort’ in vergelijking met ‘alle sectoren’ iets ongunstiger, het vo ‘scoort’ in vergelijking met het onderwijs iets ongunstiger en docenten in het vo scoren ongunstiger dan andere functies in het vo. Dit patroon wordt echter niet gevonden voor de tevredenheid met het werk; het onderwijs scoort op de verschillende aspecten van tevredenheid met het werk (arbeidsomstandigheden, inhoud van het werk, sfeer op het werk etc.) iets gunstiger dan ‘alle sectoren’.

2. Werkdruk in het vo lijkt vooral toe te schrijven aan de hogere mate van emotionele belasting in het werk van docenten. Toch achten procentueel meer docenten maatregelen tegen werkdruk/werkstress nodig dan maatregelen gericht op vermindering van de emotionele belasting in het werk.

3. De vooral door docenten ervaren belemmeringen in het werk (al dan niet functioneren van hulpmiddelen, collega’s en leidinggevenden en de tijdsinvestering in - als onnodig ervaren - administratie en overleg) zouden kunnen verklaren waarom meer docenten maatregelen wensen tegen werkstress/werkdruk dan maatregelen gericht op vermindering van de emotionele zwaarte van het werk.

4. Burn-out onder docenten in het vo ligt in vergelijking met niet onderwijzend personeel en de overige sectoren fors hoger. Het is verleidelijk om burn-out toe te schrijven aan de bevindingen onder 2 en 3. Die relatie kan op grond van de onderhavige resultaten echter niet zonder meer gelegd worden.

5. Tevredenheid met het werk wordt niet alleen bepaald door belastende factoren in het werk. Interessant werk en sfeer op het werk lijken bij te dragen aan de algehele tevredenheid met het werk. Docenten en niet onderwijzend personeel scoren hierop gunstiger dan ‘alle sectoren’.

Volledige rapport

Het volledige rapport met de belangrijkste resultaten en tabellen van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2010, uitgesplitst voor het voortgezet onderwijs kunt u rechtsboven downloaden.

Lees meer over het thema:

Arbobeleid
Van werkdruk naar werkplezier