Evaluatie Arboplusconvenant PO VO
Betreft: Eindrapport van het Arboplusconvenant in het primair, speciaal en voortgezet onderwijs dat in juli 2007 formeel is afgelopen.
In opdracht van: Vertegenwoordigers werkgevers, werknemers en overheid
Uitgevoerd door: Ipso Facto beleidsonderzoek
Datum rapport: 16 juli 2007
In het Arboplusconvenant, dat in november 2004 is ondertekend, zijn de volgende afspraken gemaakt voor het PO, SO en VO samen:
· Een reductie van het ziekteverzuimpercentage met 10%
· Een reductie van het percentage langdurig zieken (> 52 weken) met 20%
· Een reductie van het ziekteverzuimpercentage met 1 procentpunt bij instellingen die in het kader van het thema agressie en geweld werken met het veiligheidsplan dat wordt ondersteund door de intermediair Agressie en Geweld.
Om deze doelstellingen te bereiken zijn in het Arboplusconvenant de volgende activiteiten afgesproken:
1. Begeleiden van tenminste 400 scholen door regioadviseurs
2. Begeleiden van tenminste 650 re-integratietrajecten door re-integratiedeskundigen
3. Opleiden van tenminste 700 intermediairs Agressie en Geweld
4. Ontwikkelen van een Welzijns-PAGO voor Onderwijsondersteunend personeel (OOP).
Belangrijkste onderzoeksresultaten
- Regioadviseurs
Het aantal bezochte scholen is met 456 scholen ruimschoots gehaald. In het VO zijn er 31 scholen bezocht; dit is ongeveer een afspiegeling van de verdeling naar schooltype in Nederland. Voor de hele populatie (PO, SO en VO) blijkt dat de activiteiten ‘Onderzoek naar / inventarisatie van verzuimoorzaken’ en ‘Advisering, begeleiding m.b.t. ziekteverzuim’ veruit het meest zijn uitgevoerd door de regioadviseurs.
De gemiddelde doorlooptijd van een traject in het VO bedraagt 8,5 maanden; maar in de meeste VO scholen (38%) bedraagt een traject 10 tot 12 maanden. In het VO is de waardering voor de inzet van de regioadviseurs (zeer) hoog; de dienstverlening wordt gemiddeld beoordeeld met een 8,1. In 56% komt de dienstverlening geheel overeen met de verwachting en in 44% grotendeels. De gegeven adviezen worden in 47% geheel en in 53% grotendeels overgenomen. Verder is gekeken of de tevredenheid over de activiteiten in het kader van de convenantafspraken, afwijken van de reguliere activiteiten van de regioadviseurs. Hiertussen blijkt in het VO nauwelijks verschil te zijn.
Over gebruikmaking van de dienstverlening in de toekomst, zijn de meningen verdeeld. Een deel zou liever zelf de dienstverlening inkopen; dit zijn met name de wat grotere organisaties die meer expertise hebben op het gebied van HRM-beleid. Vertegenwoordigers van kleinere organisaties zijn over het algemeen van mening dat de regioadviseurs een duidelijke meerwaarde hebben boven andere (commerciële) aanbieders. Omdat ze meer expertise hebben en onafhankelijk zijn. Doordat de dienstverlening gratis is, is deze bovendien laagdrempelig. - Re-integratiedeskundigen
De re-integratiedeskundige ondersteunt als onafhankelijk deskundige zowel werkgever als werknemer bij het op gang brengen van re-integratie bij langdurig ziekteverzuim. Het totaal aantal uitgevoerde re-integratietrajecten is met 651 trajecten gehaald; ook de verplichting om 50% van de gevallen re-integratie te realiseren is met 63% gehele of gedeeltelijke re-integratie gehaald.
In het VO zijn 107 trajecten uitgevoerd. De voornaamste reden voor werkgevers in het VO om de re-integratiedeskundige in te schakelen is ‘Omdat ik behoefte had aan de mening van een objectieve derde’ (60%), gevolgd door ‘Omdat beide partijen er ondanks allerlei inspanningen niet meer uitkwamen’ (36%).
De waardering voor de re-integratiedeskundigen is in het VO hoog; het gemiddelde rapportcijfer is – evenals voor de regioadviseurs – een 8,1. Van de werkgevers in het VO vindt 53% dat het resultaat van de begeleiding overeenkomt met de verwachting.
Van de werknemers in het VO vindt 21% dat de re-integratiedeskundige in een te laat stadium is ingeschakeld; 61% vindt dat de inschakeling op het juiste moment heeft plaatsgevonden. 97% van de VO-werknemers vindt dat de aanpak geheel of grotendeels was gericht op het bevorderen van re-integratie. Het gemiddeld cijfers voor de begeleiding was een 7,9. - Intermediairs Agressie en Geweld
Met 689 deelnemers aan de opleiding Intermediair Agressie en Geweld, is het beoogde aantal deelnemers bijna gehaald. Uit het VO waren er 182 (26%) aanmeldingen. De training wordt zeer goed beoordeeld. Als belangrijkste resultaat van de training worden met name elementen van bewustwording en zelfreflectie genoemd. (‘grenzen stellen’, ‘ervaren wat agressie met je doet’, ‘een spiegel voorhouden’). Het voornaamste onderdeel van de cursus was voor de deelnemers het oefenen en werken met de acteurs.
Opvallend is wel dat er veel kanttekeningen geplaatst zijn over de mogelijkheden om hetgeen ervaren en geleerd is in de praktijk te brengen; men miste de concrete handvatten voor implementatie. Aangegeven werd dat het voor het VO lastig is een beleid voor de gehele school op te zetten. Ook specifiek voor het VO is opgemerkt dat de functie, het kennisniveau en de reeds bestaande faciliteiten op scholen, sterk uiteen lopen. Dit bemoeilijkte het uitwisselen van ervaringen onderling. Daarnaast geven enkele deelnemers uit het VO aan dat ook pesten tussen collega’s onderling voorkomt en dat dit thema wordt gemist in de gevolgde training. De invloed van de trainingen op het ziekteverzuim konden – door de late start - nog niet worden gemeten. - Welzijns-Pago OOP
Tijdens de looptijd van het Arboplusconvenant is een Welzijns-Pago voor het OOP ontwikkeld. Deze is geïntegreerd met de Welzijns-Pago voor het OP en wordt uitgebracht onder de naam Welzijns-Check. Bij de evaluatie van het Arboplusconvenant was de Welzijns-Check echter nog niet bestelbaar of on-line beschikbaar; er zijn dan ook nog geen ervaringen opgedaan met dit nieuwe instrument.
Kosten-baten en borging
Het Arboplusconvenant kende een begroting van € 4,4 miljoen. Op basis van het KPMG-rekenmodel is becijferd dat de gerealiseerde daling van het ziekteverzuim in 2005 en 2006 overeenkomt met een besparing van ongeveer € 52 miljoen; de opbrengsten zijn derhalve ruim € 47 miljoen. Dit is exclusief overige opbrengsten en besparingen zoals re-integratie van langdurig zieken en vermindering van de instroom in de WAO/WIA. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat deze opbrengsten niet direct op het conto van het Arboplusconvenant zijn te schrijven. De berekening moet meer als macrobesparing worden gezien en niet als directe besparing voor de scholen zelf.
Gedurende de convenantperiode is het VO uit het Vervangingsfonds getreden. De VO-raad heeft de resultaten geborgd door veel succesvolle activiteiten te borgen in Arbo-VO, het arboservicecentrum voor het voortgezet onderwijs.
Het volledige eindrapport kunt u rechtsboven downloaden.
Het arboservicecentrum voor het voortgezet onderwijs