Hoe werkt de Verzuimbenchmark?
Na het invullen van uw brinnummer in de Verzuimbenchmark komt u bij de gegevens van uw school. U dient hier eventueel zelf nog uw verzuimpercentage en meldingsfrequentie in te vullen. Na het aanklikken van de button ‘Vergelijk’ verschijnen de tabbladen Grafiek, Analyse, Advies en Kosten. Hierop zijn achtereenvolgens te zien: de grafische weergave van de verzuimsituatie, een uitgebreide analyse, suggesties voor verbetermaatregelen en de besparingskosten van lager verzuim.
Verzuimkengetallen
De benodigde gegevens voor de Verzuimbenchmark komen van DUO (voorheen Cfi), dat – samen met onderzoeksbureau Regioplan - de verzuimgegevens in het VO heeft berekend over 2010. Omdat Regioplan correcties heeft uitgevoerd op de verzuimgegevens uit de salarissystemen (conform de Nederlandse Verzuim Standaard), kunnen deze cijfers afwijken van andere verzuimgegevens, bijvoorbeeld verstrekt door uw arbodienst.
Regioplan heeft niet de verzuimgegevens van alle scholen kunnen verwerken. In dit geval bestaat de mogelijkheid om zelf een zo realistisch mogelijk verzuimcijfer van de school in te voeren.
Referentiegroepen
De referentiegroepen die worden gebruikt in de Verzuimbenchmark, zijn samengesteld op basis van schoolsoort. Hierbij is de indeling gevolgd van de benchmark van de VO-raad:
- vmbo/vmbo-t/havo/vwo-scholen;
- vmbo-t/havo/vwo-scholen;
- pro-scholen;
- pro/vmbo/vmbo-t/havo/vwo-scholen;
- vmbo/vmbo-t-scholen;
- havo/vwo-scholen;
- vwo-scholen;
- restgroep.
Vergelijkingsniveau
Er zijn twee ambitieniveaus beschikbaar:
1. vergelijking van de school met het gemiddelde verzuimpercentage en de gemiddelde meldingsfrequentie van de betreffende referentiegroep;
2. vergelijking van de school met het 25e percentiel beste verzuimpercentage en het 25e percentiel beste meldingsfrequentie.
Het laatste streefcijfer is het meest ambitieuze, maar niet voor elke school haalbaar. Leg de lat zo hoog mogelijk, maar blijf realistisch.
Het arboservicecentrum voor het voortgezet onderwijs