X
Het arboservicecentrum voor het voortgezet onderwijs

Uit de praktijk, ontslag wegens arbeidsongeschiktheid

Van een werkgever wordt zorgvuldigheid verwacht bij ontslag wegens arbeidsongeschiktheid. Dit blijkt weer eens uit de volgende uitspraak van de Commissie van beroep.

De feiten

Sinds 1 november 1978 is een werknemer werkzaam als muziekdocent in een vast dienstverband. In augustus 2006 wordt hij ziek. Hij voert daarop een gesprek met een arbeidsdeskundige van het UWV over de aanvraag van een WIA-uitkering. Naar aanleiding van dit gesprek ontvangen betrokkene en de werkgever een brief van 4 juli 2008. Hierin staat dat na het einde van de wachttijd een WIA-uitkering zal worden toegekend. Bovendien wordt vermeld dat de werknemer 20 uur per week en 4 uur per dag arbeid mag verrichten en dat op de langere termijn verbetering te verwachten is. De werkgever krijgt de brief van 4 juli 2008 pas na opzegging van de arbeidsovereenkomst onder ogen. Bij beslissing van 10 juli 2008 is aan de werknemer een WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij brief van 25 augustus 2008 zegt de werkgever de arbeidsovereenkomst op wegens arbeidsongeschiktheid per 1 december 2008. Tegen deze beslissing heeft de werknemer beroep ingesteld.

Het oordeel van de Commissie

Artikel 20 Zavo bevat de voorwaarden voor ontslag als er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor de eigen functie:

  • De arbeidsongeschiktheid moet ten minste twee jaar hebben geduurd;
  • Herstel is na deze twee jaar niet binnen een half jaar te verwachten;
  • Er zijn bij de werkgever geen reële herplaatsingsmogelijkheden.

Volgens de Commissie mocht de werkgever op het moment van de ontslagbeslissing er vanuit gaan dat aan de gestelde voorwaarden was voldaan. De werknemer zou immers een WGA-uitkering ontvangen van 80-100% en herstel binnen zes maanden was niet te verwachten. Bovendien waren er geen reële herplaatsingsmogelijkheden bij de werkgever.

Toen de werkgever de brief van 4 juli 2008 van het UWV ontving werd dit anders. Op dat moment kon de werkgever er niet meer van uit gaan dat aan de voorwaarden was voldaan. Er werd in deze brief gesproken van een toegestane arbeidsduur van 20 uur per week en 4 uur per dag. Deze tegenstrijdigheid - de toegestane werkuren en de mate van arbeidsongeschiktheid - had voor de werkgever aanleiding moeten zijn voor een aanvraag van een deskundigenoordeel. De werkgever had op die manier duidelijkheid kunnen verschaffen over de termijn waarop het herstel van de werknemer kon worden verwacht en de gevolgen die dat voor de mogelijkheid van re-integratie zou kunnen hebben.

De commissie concludeert dat op de ontslagdatum niet aan de voorwaarden van artikel 20 Zavo is voldaan. Het beroep van de werknemer wordt dan ook gegrond verklaard.