Verzuimcijfers 2008
Na een jarenlange daling, lijkt er nu sprake te zijn van een stabilisatie van het ziekteverzuim onder onderwijzend personeel (OP) in het voortgezet onderwijs (VO). In 2008 is het ziekteverzuim met 5,1% nagenoeg gelijk gebleven aan 2007 en 2006 (5,0%). Het ziekteverzuim onder het onderwijsondersteunend personeel (OOP) in het VO stabiliseert ook met een ziekteverzuimpercentage van 5,8% in 2007 en 2008.
Uitvoering verzuimonderzoek
Beleid met betrekking tot ziekteverzuim is uiteraard gebaat bij een nauwkeurig inzicht in de verzuimkengetallen. Het jaarlijkse verzuimonderzoek wordt sinds 2007 - in opdracht van de VO-raad - uitgevoerd door DUO (voorheen Cfi: de uitvoeringsorganisatie van OCW belast met de bekostiging van onderwijsinstellingen en informatievoorziening). Vanaf 2007 is er gekozen voor een nieuwe berekeningsmethodiek. Hierdoor zijn de cijfers vanaf 2006 nauwkeuriger dan in voorgaande jaren. Verder zijn in de cijfers van 2008 – naast de gegevens van Caso, Centric en Merces - nu voor het eerst ook de bronbestanden van Raet verwerkt. Met de huidige gegevens wordt circa 90% van de VO-scholen gedekt; daarmee zijn deze cijfers representatief voor de hele VO-sector. Om de kennis in de sector te borgen, werkt DUO samen met het onderzoeksbureau Regioplan die het onderzoek tot 2007 alleen uitvoerde.
Verzuimcijfers 2008
Interpretatie
Bij de interpretatie van de data is het belangrijk om te weten hoe de verschillende kengetallen worden berekend. Voor deze berekening wordt de Nederlandse Verzuim Standaard (NVS) gevolgd. Voor een uitgebreide uitleg over de berekeningsmethodiek en de formules, zie de ‘Definities en berekeningen’.
In onderstaande figuur wordt kort uitgelegd welke delen van het verzuim meetellen voor de berekening van de verschillende kengetallen. Daarbij stelt iedere letter (A t/m D) personen voor en ieder balkje het begin en eind van het verzuim van die persoon. De vakken geven de tijd in jaren weer.
- Het ziekteverzuimpercentage (ZVP) geeft aan welk deel van de arbeidscapaciteit in de verslagperiode (in dit geval 2008) verloren is gegaan wegens ziekteverzuim. Voor de berekening van het ZVP 2008, worden alle verzuimdagen in 2008 meegeteld. In bovenstaand voorbeeld betreffen dit dus alleen de rode delen van het ziekteverzuim van persoon A t/m D.
- De ziekmeldingsfrequentie (ZMF) betreft het gemiddeld aantal nieuwe ziektegevallen per werknemer in een bepaalde periode. Voor de berekening van de ZMF 2008, worden alleen die gevallen geteld waarvan het ziekteverzuim is gestart in 2008. In bovenstaand voorbeeld betreffen dat dus persoon B en C.
- De gemiddelde ziekteverzuimduur (GZVD) geeft de gemiddelde duur van de ziekte weer en is alleen te interpreteren in combinatie met het ZVP en de ZMF. Voor de berekening van de GZVD 2008, worden alle ziekteverzuimdagen geteld van die personen waarvan het ziekteverzuim is beëindigd in 2008. In bovenstaand voorbeeld zijn dit dus de ziekteverzuimperiodes (zwarte én rode delen) van persoon A en B. Bij de berekening van deze maat worden deeltijders meegeteld als fulltimers.
Uit de berekeningswijze blijkt dat de gemiddelde ziekteverzuimduur (GZVD) een ‘na-ijleffect’ kent; zeker bij langdurig verzuim. Een hoge GZVD kan theoretisch worden veroorzaakt doordat er veel (langdurig) verzuimgevallen worden afgesloten in dat jaar, zonder dat dit gepaard gaat met een hoog ziekteverzuimpercentage in dat jaar zelf. Met dit in het achterhoofd willen we enkele voorzichtige conclusies trekken over de verzuimcijfers in 2008.
Conclusies
Stabilisatie
De stabilisatie van het ziekteverzuim die in 2007 zichtbaar werd, lijkt zich ook in 2008 door te zetten; met 5,1% is het ziekteverzuimpercentage nagenoeg gelijk aan 2007 en 2006 (5,0%). Voor het OOP stabiliseert de gestaag dalende lijn zich in 2008 voor het eerst. Met 5,8% is het ziekteverzuimpercentage in 2008, gelijk aan dat van 2007.
Hogere gemiddelde ziekteverzuimduur (GZVD)
Wat wel opvalt is dat in 2008 de GZVD stijgt t.o.v. voorgaande jaren. Zoals aangegeven, worden voor de berekening van de GZVD alle ziekteverzuimdagen geteld van die personen waarvan het ziekteverzuim is beëindigd in 2008. De hogere GZVD wijst er dus op dat er in 2008 relatief veel verzuimgevallen zijn afgesloten. Omdat het ZVP en de ZMF nagenoeg gelijk zijn aan 2007, betreft dit naar alle waarschijnlijkheid verzuim dat is gestart in 2007 (of wellicht zelfs al in 2006). De verhoogde GZVD in 2008 is – in combinatie met het ZVP en de ZMF – niet per sé ongunstig. Waarom in 2008 veel langdurig verzuimgevallen zijn afgesloten, is uit de cijfers helaas niet op te maken. Wellicht dat de economische crisis hierin (ook) een rol speelt (in ‘marktsituaties’ verzuimen werknemers minder in tijden van economische achteruitgang). Overigens is frequent kortdurend verzuim voor de dagelijkse bedrijfsvoering van een school vervelender dan langdurig verzuim; bij frequent kortdurend verzuim moet bij iedere ziekmelding ad hoc een oplossing worden gezocht terwijl bij langdurig verzuim een (meer structurele) oplossing kan worden gezocht. Vanuit financieel en onderwijskundig oogpunt gezien, zijn beide vormen van verzuim natuurlijk onwenselijk.
Bij het OOP blijft de ziekmeldingsfrequentie al enige jaren gelijk (op gemiddeld 1,4 meldingen per medewerker per jaar). Ook het ZVP in 2008 blijft (met 5,8%) gelijk aan dat van 2007. Voor de stijging van de GZVD (met 1 procentpunt naar 14,8 dagen), geldt hetzelfde als bij het OP: in 2008 is blijkbaar veel (langdurig) ziekteverzuim afgesloten.
Gevolg
Op basis van deze cijfers is er geen eenduidige oorzaak van de verzuimstabilisatie in het OP en OOP aan te geven. De hogere gemiddelde ziekteverzuimduur kan wijzen op een beter re-integratiebeleid en/of lagere hersteldrempel en/of meer verzuim bij deeltijders (die voor deze maat immers als fulltimer worden meegeteld) waardoor in 2008 veel ziektegevallen zijn afgesloten. De vraag is of de nieuwe ziektemeldingen in 2008, kortdurend- of langdurend verzuim betreffen; dit wordt echter pas in de cijfers over 2009 zichtbaar. Als blijkt dat mensen voor langere tijd uitvallen, kan dit een indicatie zijn voor oplopende werkdruk in het VO en/of een falend re-integratiebeleid dat uiteindelijk zal leiden tot een hoger ZVP.
Verzuimbenchmark
Omdat de schoolsamenstelling invloed heeft op de ziekteverzuimkengetallen, is het moeilijk om de eigen prestaties te interpreteren ten opzichte van ‘het sectorgemiddelde’. Beter is het om de eigen schoolcijfers af te zetten tegen een vergelijkbare referentiegroep die – qua kenmerken – overeenkomt met de eigen school. In de Verzuimbenchmark VO is een dergelijke vergelijking mogelijk. Hierdoor zijn de eigen prestaties objectiever te beoordelen. Via een grafiek en een analyse van de specifieke situatie, worden gerichte adviezen gegeven. Ook berekent de verzuimbenchmark VO een indicatie van de verzuimkosten.
Het arboservicecentrum voor het voortgezet onderwijs