Ziekteverzuimcijfers en personeelskenmerken
In onderstaande tabel wordt het ziekteverzuimpercentage (ZVP), de ziekmeldingsfrequentie (ZMF) en de gemiddelde ziekteverzuimduur (GZVD) in het vo verder uitgesplitst; eerst naar leeftijdscategorie daarna naar geslacht, functie en aanstellingsomvang.
De cijfers geven het totaal van het ziekteverzuim inclusief het tweede ziektejaar.
Conclusies
Verschil Leeftijdscategorieën
Met het stijgen van de leeftijd neemt het percentage verzuim toe. Dit is een bekend patroon in de Nederlandse beroepsbevolking. Opvallend is dat het verschil in ziekteverzuimpercentage, meldingsfrequentie en de gemiddelde ziekteverzuimduur tussen de leeftijdscategorieën 35 – 44 en 45 – 54 vanaf 2008 afneemt. Bij het OOP is deze trend ook zichtbaar al geldt dat niet voor de gemiddelde ziekteverzuimduur.
Bapo
In 2008 en 2009 lag het verzuim onder degenen die van de bapo regeling gebruik maakten lager dan dat van degenen die geen bapo genoten. In 2010 is deze verhouding omgedraaid. Een verklaring hiervoor is zonder nadere analyse niet te geven.
Verschil man-vrouw
Vrouwen verzuimen meer dan mannen. Dat geldt zowel voor het OP als voor het OOP: vrouwen hebben een hoger ziekteverzuimpercentage, ziekmeldingfrequentie en een iets langere gemiddelde ziekteverzuimduur. Het hogere ziekteverzuimpercentage bij vrouwen kan wijzen op een grotere verzuimbehoefte of -noodzaak van vrouwen. Opvallend is dat het verschil in verzuim tussen mannen en vrouwen voor het OP groter is dan voor het OOP. Dat doet op z’n minst vermoeden dat naast de traditionele rolverdeling ook de aard van de functie (mogelijkheden om balans werk – privé gezond te houden) op een rol speelt bij het verschil in verzuim tussen mannen en vrouwen.
In het licht van de feminisering van het VO, is dit een zorgelijke ontwikkeling. Het is dan ook raadzaam dat de school oog heeft voor de balans werk-privé van vrouwen.
Directie verzuimt minder
In vergelijking met het OP verzuimen directieleden minder. Directieleden hebben vaak meer regelmogelijkheden en kunnen, als zij zich ‘niet lekker voelen’ de werkbelasting zelf afstemming op wat zij op dat moment aankunnen. Daardoor hoeven zij zich vaak niet ziek te melden. Het werk van directieleden is vaak minder tijd en plaatsgebonden dan dat van het OP of het OOP. De hogere gemiddelde ziekteduur bij directie lijkt deze aanname te ondersteunen; korte periodes van verminderde belastbaarheid of ziektes lijken ‘intern verzuimd’ te worden en komen daarmee niet in de statistieken terecht.
Meer werken, minder verzuim
De aanstellingsomvang heeft bij het OP een duidelijke invloed op het verzuim; bij het OP geldt al jaren: hoe groter de aanstellingsomvang, hoe lager het verzuim. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat er een grote correlatie is tussen aanstellingsomvang en geslacht; er zijn meer vrouwen die in deeltijd werken.
Met de cijfers over 2010 is iets bijzonders aan de hand. De kleinste WTF kent ook het laagste ziekteverzuimpercentage. Voor het OP en in mindere mate voor het OOP is dat niet te rijmen met de cijfers van 2008 en 2009. Een mogelijke verklaring is dat onderregistratie van het ziekteverzuim zich vooral bij de kleinste dienstverbanden voordoet.
Het arboservicecentrum voor het voortgezet onderwijs